zaterdag 30 april 2016


BLOEM

'Natuur is voor tevredenen of legen’
Dat schreef de dichter Bloem in een sonnet

Hij looft de stad- zijn stad- en heeft mijn zegen
( Hij heeft dat trouwens mooi op rijm gezet)
Maar ik ben niet zo’n stadsgericht figuur

'k Steek over bos en hei de loftrompet
En min de kwikstaart en de tureluur
Beton en steen, daar kan ik niet goed tegen
Die zijn oprecht in strijd met mijn natuur

Bas Boekelo 
(29-4-2016)

geen sonnet, maar een Retour.


vrijdag 29 april 2016

Dapper


Geluk is voor de werkers en de dommen
Maar ach, wat zegt geluk in dit klimaat
Een huis dat meters onder water staat
Een baas die eist dat jij je rug blijft krommen

Geef mij een feeks, het kan me echt niet bommen
Die mij zelfs bij het dichten niet verlaat
Die ontevreden is en non-stop praat
Als ik haar eens een dag niet heb beklommen

Alles is veel voor wie niet veel begeert
Het land als vader blijft zijn rol verzaken
Tot die zich aandient in persoon van Hein

Dat heb ik na een dag geconcludeerd
Bescheten, op een stinkend onderlaken
Domweg gelukkig: het kon erger zijn=


Frits Criens

                           Eindkritiek

aan J.C.Bloem

“Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen”.

Het vers is mooi, de inhoud spreek ik tegen:
Ik liep van Noord naar Zuid door Nederland.
In bos en hei en wei ben ik beland,
En het was groots, het strekte me tot zegen!

Natuur brengt vreugd aan wie niet veel verwacht.
Het pad spreidt graag zijn wonderen ten toon, -
Die lange tocht, die heeft verdraaid wel wat!

Dit heb ik bij mijzelf vaak overdacht:
Of je nu rijk bent, slim of heel gewoon,
Domweg gelukkig op het Pieterpad.


Frans Woortmeijer
5 oktober 2006 uit: Pieterpad

Nu dan eentje van mijn zelf, gemaakt aan het einde van het Pieterpad, dat ik tussen 2001 en 2006 gelopen heb.




donderdag 28 april 2016

De Denneweg
(vrij naar J.C. Bloem)
De Spuistraat is voor haastigen en legen
Met puien door vals neonlicht omrand
Verlokt de wansmaak koopziek Nederland
Bling bling en klatergoud zijn neergezegen

Geef mij die stille pittoreske wegen
De in gevels vastgeklonken meesterhand
Met gasten van gewicht en met verstand
Die zich verlicht langs stedenschoon bewegen

Den Haag biedt veel, veel meer dan men verwacht
De stad houdt aard en schatten goed verborgen
Doch op een dag beweegt de hoge heg

Verbloemt niet langer grafelijke pracht
Dit dacht ik op zo’n fletse maandagmorgen
Domweg gelukkig op de Denneweg

Daan de Ligt





Uit 2012
De plantsoen arbeider spreekt

Natuur is voor tevredenen of legen –
Dat heeft – meen ik – de dichter Bloem gezegd,
Maar ik denk dikwijls: vond hij dat nou echt
Of heeft hij welbewust de tijd verzwegen
Waarin de kou weer komt, de gure regen
En zich geen blad meer aan de bomen hecht?
Kwam hij nooit in een najaarsstorm terecht?
Heeft hij nooit eikels op zijn kop gekregen?

Nee, mijn humeur wordt in de herfsttijd slecht.
Als Moedertje Natuur haar kleed aflegt
Staat mij die striptease alle jaren tegen.
Dan liggen er weer blaren allerwegen
En wie mag dan die rotzooi op gaan vegen?
Dat is het lot van de plantsoenenknecht!
Driek van Wissen (1943-2010)
Uit: een loopje met de tijd, 1993




In 2014 verscheen bij Meander Klassiekers een bespreking van het oorspronkelijke gedicht van J.C.Bloem van de hand van Hans Puper. Ik vind dat deze op deze site niet mag ontbreken en hoop dat Hans Puper het niet erg vind dat ik hem opneem.

Vooraf  
'De Dapperstraat' blijft boeien. Dit sonnet is zo toegankelijk geschreven, dat je het makkelijk onthoudt: zo niet het hele gedicht, dan toch enkele strofen. Tegelijkertijd is het bestand tegen regelmatige herlezing: het is een briljantje dat het licht voortdurend op een andere manier reflecteert. Het verveelt daarom nooit.   
In deze bespreking wil ik de nadruk leggen op het poëticale karakter van dit sonnet. Ik kwam daarop toen ik het sonnet 'Zelfkant' van Vestdijk opnieuw las. Karin Doornik besprak het in deze rubriek.   
  
'De Dapperstraat' en 'Zelfkant'   
De ik-figuur spreekt zijn voorkeur uit voor ‘de grauwe stedelijke wegen, de in kaden vastgeklonken waterkant’, dit in tegenstelling tot de natuur: die is voor tevredenen en legen. 'De Dapperstraat' zou (onder andere) een knipoog kunnen zijn naar Vestdijk, die 'Zelfkant' tien jaar eerder opnam in zijn bundel Kind van stad en land. Ook hij spreekt een duidelijke voorkeur uit:   
  
Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:  
Van vage weidewinden die met lijnen  
Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen  
Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,   
  
Ook in dit sonnet zie je een tegenstelling: tussen natuur en halflandelijkheid. En ook hier is de natuur minder interessant:   
 
( … ) er is daar waar men 't leven slijt 
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid 
Te vinden dan in bergen of ravijnen.   
  
In de laatste strofe laat hij zien waartoe poëzie in staat is. Het aandoenlijke zwarte kalf is het enige levende wezen in een desolate omgeving. Maar:  
  
( … ) ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand  
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd  
En in één beeld met sintels opgenomen.   
  
Zoals gezegd is het goed mogelijk – of, wat mij betreft, waarschijnlijk – dat Bloem reageert op Vestdijk: ‘Jij houdt van halflandelijkheid? Geef mij maar de stad en ik zal je vertellen waarom.’ Ik noemde zijn reactie een knipoog op grond van de eerste strofe, die ik lees als goedmoedig gemopper onder gelijkgezinden. Vergelijk een uitspraak die je op verjaardagen zou kunnen horen: ‘Wat is voetbal nog in dit land? Dat stelt internationaal toch niets meer voor?’  
  
Ik loop de verschillende strofen langs en kom daarna nog even terug op 'Zelfkant'.  
  
'De Dapperstraat': een uitspraak over poëzie  
‘Natuur is voor tevredenen of legen.’ Tevredenen. In de termen van Bloem: zij die de pijn van het ‘daaglijks derven’ niet ervaren, leven ‘in hun veilige bestek’ en geen boodschap hebben aan het geluk van de ‘goddelijke onvervuldheid’. En legen: dat spreekt voor zich. Die zijn zich helemaal nergens van bewust. De natuur is saai, er valt niets te beleven.   
Daartegenover staat de tweede strofe. Juist in een stedelijke omgeving wordt de natuur intensief beleefd en dat komt doordat die is ingekaderd. Iedere fotograaf zal het effect daarvan herkennen. Juist doordat wolken worden omrand door zolderramen, zijn ze zo mooi. Je ziet de details. De woorden ‘waterkant’ en ‘omrand’, aan het eind van regel 6 en 7 en in mannelijk rijm, geven die inkadering extra nadruk.   
Vertaald naar het schrijven van poëzie: Bloem heeft regelmatig betoogd dat de combinatie van soberheid en strakke vormen goede poëzie oplevert – als de dichter iets te zeggen heeft, tenminste. In zijn geval: diepe dingen over het leven zeggen, ‘zo, dat men de indruk krijgt dat het onmogelijk anders gezegd kan worden’. Dat laatste bereikt hij door een trefzekere woordkeus en vorm, die zich echter nooit opdringen.  
Ook Jacques Perk benadrukte de waarde van strakke versvormen. In ‘Aan de sonnetten’, schreef hij:  
    
Beperking moet vernuft en vinding wetten;  
Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte: -  
 
De geest in enge grenzen ingetogen,  
Schijnt krachtig als de popel op te schieten,          
(popel: populier)  
En de aard’ te boren en den blauwen hoogen   
  
Extase door jezelf beperkingen op te leggen en dat zie je ook bij Bloem. Juist door die beperking is de opzienbarende ervaring uit de derde strofe mogelijk. ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’, zegt de ik enigszins relativerend, maar dat blijkt wel heel zuinigjes gezegd:   
 
Het leven houdt zijn wonderen verborgen  
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.   
  
Opvallend in deze regels is weer de vorm, die volledig samenvalt met de inhoud. En hoe! De eerste regel in een regelmatig ritme, de tweede met sterke antimetrieën die, in combinatie met de pauzes die worden afgedwongen door de komma’s, de emotie direct voelbaar maken:   
   
Het ven houdt zijn wónderen verbórgen  
Tót het ze, ópéénstóónt in hun ge stáát.   
  
Prachtig. En kijk ook eens naar de woorden die qua klank op elkaar betrokken zijn!  
Het inzicht in de waarde van strakke vormen kan je domweg gelukkig maken in de Dapperstraat, ook als je verregend bent, op een miezerige morgen. De tevredenen of legen zullen dit geluk niet kennen: voor hen blijven de wonderen verborgen, omdat zij, sjokkend door de natuur, naar alles kijken en daarmee naar niets. Ofwel: vormloos geleuter leidt tot niets.   
  
Nogmaals 'Zelfkant'  
En 'Zelfkant'? Ook Vestdijk pleit voor concentratie en dat doet hij door middel van de halflandelijkheid: daar is immers meer eenzaamheid/ Te vinden dan in bergen of ravijnen. Dat hij daar ook een uitspraak doet over het schrijven van poëzie, blijkt uit de laatste strofe. En hij is daar in geslaagd: een koetje in een alpenwei zou een slappe indruk hebben gemaakt.   

De winkelstraat

Frituur is voor de ledigen een zegen.
Kijk rond: wat schept frituur toch in dit land?
Een zak patat, zo'n vlezig Lady Kant,
En sneue kindertjes die te veel wegen.

Geef mij de oude gevels, gildestegen,
De klinkers, de kasseien en het zand.
De honger, nog met armoede omrand,
De zondag, zonder koopgoot maar met regen.

Alles is veel voor wie daar steeds naar smacht.
De 'condition humaine' baart mij zorgen,
Een toestand die helaas niet overgaat.

Dit heb ik - bij een friteszak - overdacht,
Verzadigd, op een uitverkochte morgen,
Domweg wat nukkig, in zo'n winkelstraat.


Arjan Keene


Een al wat oudere bijdrage van de stadsdichter van Ede